De melkkoe als natuur

Op zich is wat we doen simpel: geld inzamelen en akkers inzaaien. Heel veel meer is het niet. En toch gaat er erg veel tijd zitten in het napluizen van alternatieven en aanvullingen. Kan er meer dan wat we doen, kan het logischer, beter of effectiever? Wat dat betreft is ‘de natuur’ een enorm boeiend fenomeen.

Misschien is het meest boeiende wel het zoeken naar het antwoord op de vraag hoe je een gezond rendement kunt maken als boer of kweker in samenwerking met de natuur. Hoe vervuil je niets, of desnoods beduidend minder, en hoe stoot je niets uit terwijl je een beter belegde boterham verdient dan nu?

Melkveehouders halen nu hun inkomsten uit hun koeien, en wat er aan uitstoot is slaat onder meer als stikstof neer in de natuur. Dat willen we niet. Het houden van melkvee gaat ten laste van de natuur en zo is de natuur de feitelijke melkkoe. Ergo: hoe maak je van de melkkoe een stukje natuur? Hoe kun je er voor zorgen dat melkkoeien goed zijn voor de natuur?

Als de uitstoot van een stof gelijk is aan dat wat de natuur weet te absorberen ben je al op de goede weg. Het heeft geen enkele zin om het decimeren van een veestapel te propageren als je niet ook meteen kijkt naar de mogelijkheden om tot die neutrale verhouding te komen. Immers: als je nu een miljoen melkkoeien hebt en je brengt er 600.000 naar de slager dan staan er nog steeds 400.000 poepende en plassende koeien op stal en in de wei.

Toen ik 12 was werkte ik voor een boer bij ons op het dorp. Twaalf bunder land, en een stuk of vijftien melkkoeien. In de zomer liepen de koeien lekker buiten, en in de winter stonden ze op stal. Een lekkere laag stro eronder, en de mest ging via de kruiwagen uit de groep naar de mestput. En die mest werd uitgereden over het land.

Was dat systeem nou beter of slechter dan het systeem van nu? Want toen ik 12 was zag je tegen de avond boven de horizon enorme wolken vogels. De polder stond vol met paardebloemen en boterbloemen, en de slootjes zaten vol vis. Gewapend met een hengel ben ik wel honderd keer de polder ingegaan. Door het weiland lopen tot aan het tweede dammetje, want daar zat de meeste vis. En zat je eenmaal naar je dobber te staren dan zag je om je heen van alles vliegen, kruipen en zwemmen.

Kijk je nu naar een willekeurig weiland in dezelfde polder dan is het allemaal erg steriel. Zelfs het grasland dat alleen nog wordt gebruikt om kuilgras te maaien laat niet veel anders zien dat gras. En dat roept dan wel wat vragen op.

Als in de jaren ’70 van de vorige eeuw de polders vol leven zaten zonder alle regeltjes van nu en de natuur het in die tijd eigenlijk heel goed deed wat zijn dan de factoren die veranderd zijn? Zijn keuterboertjes beter voor het milieu, is een minder gereguleerde vorm van boeren goed, of is het eentonige van de weilanden de doodsteek voor het opnemend vermogen van stikstof door die weilanden? Is wat we de koeien nu voeren zo anders dan vroeger dat daar de oplossing voor de stikstofuitstoot moet worden gezocht? Immers, een koe uit 1974 poepte ook. Zit het verschil misschien in de manier waarop ruige mest (met stro) en gier (zonder stro) worden verspreid over het land?

Het vinden van antwoorden doe je pas als je van heel veel verschillende manieren van boeren de resultaten naast elkaar legt. Koeien zijn niet het probleem, de veestapel ook niet. Het probleem is hoe we er mee omgaan. Deels is dat namelijk al bewezen door de boeren die anders zijn gaan werken, met meer oog voor de natuur. Beter zijn voor de natuur werkt.

In die enorme soep van vragen moeten ook de antwoorden te vinden zijn. Schoner boeren is essentieel voor juist de bijen, vlinders en andere insecten waarvoor we ons project aan het opstarten zijn. Terug naar kleinschaliger boeren helpt. Minder groot boeren, minder stikstof.

Wat in ieder geval een feit is is dat een deel van de voedselproductie is verworden tot een industrie. We produceren enorm veel vlees, en dat vlees verschepen we wereldwijd. Dieren moeten razendsnel opgroeien, omdat de marges per kilo voor de boer zo klein zijn dat elke dag gewoon telt. Om al die dieren te voeden gebruiken we enorm veel landbouwgrond, en om de gewassen die er op staan te beschermen spuiten we bestrijdingsmiddelen. In meer dan enorme aantallen gaan dieren die in Nederland zijn grootgebracht naar de slager voor de export, en voor onze eigen consumptie importeren we enorm veel vlees.

De natuur heeft geen last van stikstof. De natuur heeft last van die twee, drie, vier cent prijsverschil per kilo. Want als er één enorm verschil is aan te wijzen tussen vroeger en nu dan is het de massaliteit waarmee we moeten produceren. Mest 500 varkens vet voor de export, en importeer er 100 voor eigen consumptie. Het is een vorm van waanzin die wordt aangedreven door minimale prijsverschillen. Het gaat om die twee, drie of vier cent die in de zakken van de grote bedrijven belanden, die handelen in enorme hoeveelheden. De boer staat daarbij zowel aan de basis van de voedselketen als onderin de pikorde.

En de politiek? Die heeft de mond vol van het milieu, en geeft er miljarden aan uit. Niet echt op een handige manier overigens. Maar ze doen niets aan de basis van het probleem: onnodig produceren en onnodig importeren.

Verander je de basis door boeren alternatieven te bieden die beter renderen dan de massaliteit die op basis van minimale marges drijft dan verlaag je de uitstoot van stikstof al. Produceer wat je nodig hebt en produceer dat in rust. Diervriendelijker. Minder massaal.

Kan het?

We zeiden het al eerder: op papier kun je rond de 125.000 hectare akkerland veel groener inzetten terwijl het toch rendement genereert. Let wel: dat is één plan. Maar wat kun je bereiken als de echte knappe koppen er over na gaan denken?

Niet langer de natuur als melkkoe, maar de melkkoe als natuur. Dat is waar we naar op zoek moeten.